Biologie en agressie

Biologie en agressie

Over biologie en agressie raken we nooit uitgeleerd. Steeds verschijnen er nieuwe inzichten gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Graag deel ik enkele inzichten met u.

Inzichten met betrekking tot de neuro chemische (wissel-)werkingen van neurotransmitters (serotonine) en andere enzymen zijn veelbelovend met betrekking tot potentiële therapeutische interventies, echter ontoereikend om agressief gedrag louter biochemisch te verklaren. Biologische studies (Blijleven, Swjnkels. Ed., 1990) tonen aan dat elk type dier zijn eigen optimale situatie nodig heeft om zich optimaal te kunnen manifesteren. Een dier met een sterk reactief neuro chemisch systeem, ook ‘high-responder’ genoemd, is hierbij contextafhankelijk en gaat ‘vechten’. Een dier met een relatief traag reactief neuro chemisch systeem, ook ‘low-responder’ genoemd, is hierbij relatief context-onafhankelijk en zal ‘traag’ reageren.

Psychofarmacologisch onderzoek (Raleigh, 1984) weliswaar bij dieren toont een relatie aan tussen de sociale hiërarchie en agressief gedrag. Verandering in de sociale hiërarchie kan de biochemische activiteit wijzigen. Een hoge bloedwaarde aan serotonine bij dominante mannelijke bepaalde Zuid-Afrikaanse apen zakt wanneer de betrokken aap uit de groep wordt weggenomen. Deze waarde herstelt zich echter weer wanneer de dominante positie terug wordt hersteld.

Ander psychofarmacologisch dieronderzoek (Eichelman, 1990) wijst op een verband tussen stress en agressie. Immobilisatie gestresseerde ratten vertonen een verhoogd agressief gedrag en een veranderde hersenactiviteit met betrekking tot serotonine. Een maand na het wegvallen van de stresssituatie vertonen de ratten nog steeds een verhoogde agressie bij pijnlijke stimuli en vertonen ze nog steeds de veranderde, abnormale hersenactiviteit. Dit doet de weliswaar nog niet onderzochte hypothese rijzen dat wanneer mensen gedurende kritische perioden van hun ontwikkeling onder stress staan, zij hier misschien wel een persisterende veranderde biochemische hersenactiviteit aan overhouden, die hun drempel voor agressief gedrag als volwassene doet verlagen.

Verder valt het klinisch expert (Tuinier, 1990) op dat er na toediening van bepaalde medicatie vaak onmiddellijk effect wordt gevonden met betrekking tot agressief gedrag, daar waar het in de regel minstens vierentwintig uur duurt voor er een therapeutische bloedwaarde wordt bereikt. De niet farmacologische aspecten van medicatie (bijvoorbeeld het ‘ritueel’ van toediening) zijn hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de effecten en niet de chemisch werkbare stof van het medicament. Vergelijkend onderzoek tussen gebruik van neuroleptica en placebo in dergelijke situaties laat nog op zich wachten.

Een hersenletsel kan, afhankelijk van zijn lokalisatie, leiden tot beperkingen zoals leerstoornissen, concentratiestoornissen, handelingsonbekwaamheid en geheugendeficit. Dit onvermogen kan verder aanleiding geven tot faalangst en depressie maar ook frustratie en agressie.